Als je oplijst wat er in een gemiddelde garage staat, valt op hoeveel ervan stilstaat. Een boormachine die een paar keer per jaar draait. Een aanhangwagentje voor de tweejaarlijkse verhuis van iemand anders. Een hogedrukreiniger, een verticuteermachine, een grote ladder. Stuk voor stuk dingen die je bezit, die geld en plaats kosten, en die het grootste deel van hun bestaan niets doen. Voor precies dat soort spullen is bezitten zelden de slimste keuze.
De deeleconomie krijgt vaak een hoogtechnologisch gezicht, met apps en platforms en start-ups. Maar ze begint veel dichterbij, en veel eenvoudiger, namelijk bij lenen en delen in je eigen straat. De buur die een ladder heeft, de vriend met een aanhangwagen, de uitleendienst van je gemeente die gereedschap en materiaal uitleent voor weinig of niets. Dat bestond lang voor er apps voor waren, en het werkt nog altijd, op voorwaarde dat je de reflex hebt om te vragen voor je koopt.
Die reflex is de hele truc. Voor je een zelden gebruikt toestel bestelt, stel je jezelf de vraag of je het niet kunt lenen of huren voor de keer dat je het nodig hebt. Vaak is het antwoord ja, en dan bespaar je niet alleen de aankoop, maar ook de plaats en het onderhoud. Delen werkt het best voor spullen die je zelden gebruikt en die duur of groot zijn, want daar is de winst het grootst en de last van het lenen het kleinst. Voor wat je dagelijks nodig hebt, is bezitten logischer.
Er zit een neveneffect aan dat verder reikt dan de spullen. Wie leent en uitleent in zijn buurt, bouwt een web van kleine wederdiensten op waar meer uit groeit dan handigheid. Je leert je buren kennen, je helpt elkaar, en de straat wordt een plek waar mensen op elkaar kunnen terugvallen. De deeleconomie hoeft dus niet op je te wachten tot er een platform voor bestaat. Ze begint zodra jij bij de volgende zelden gebruikte aankoop eerst aanbelt bij de buur.
Dit artikel hoort bij het boek Tweedehands met meerwaarde.